|
|

 
|
|
| |

Spreuken 10:1-22:16
Spreuken van Salomo

[10] 1 Hier volgen spreuken van Salomo.
Een wijze zoon geeft zijn vader veel vreugde, een dwaze zoon bezorgt zijn moeder verdriet.
2 Oneerlijk verkregen rijkdom baat je niet, rechtvaardigheid redt van de dood.
3 De HEER laat een rechtvaardige geen honger lijden, hij geeft niet toe aan de begeerte van een goddeloze.
4 Luie handen maken arm, ijverige handen brengen rijkdom.
5 Een zoon die in de zomer oogst, is verstandig, slaapt hij in de oogsttijd, dan maakt hij zijn ouders te schande.
6 Een rechtvaardige wordt rijk gezegend, de woorden van een goddeloze verhullen geweld.
7 De herinnering aan een rechtvaardige strekt tot zegen, de naam van goddelozen vergaat.
8 Een wijze doet wat hem geboden wordt, een bedrieger komt ten val.
9 Wie onberispelijk leeft, gaat een veilige weg, wie op kronkelpaden gaat, wordt ontmaskerd.
10 Wie heimelijk zijn oog dichtknijpt, veroorzaakt ellende, zo’n bedrieger komt ook zelf ten val.
11 De uitspraken van een rechtvaardige zijn een bron van leven, de woorden van een goddeloze verhullen geweld.
12 Haat brengt ruzie voort, liefde dekt alle fouten toe.
13 Een verstandig mens spreekt wijze woorden, een dwaas verdient de stok.
14 Een wijze loopt niet met zijn kennis te koop, het gebazel van een dwaas leidt tot een ramp.
15 Het bezit van een rijkaard is zijn vesting, de armoede van een arme een ruïne.
16 Het loon van een rechtvaardige is een gelukkig leven, goddeloosheid leidt alleen tot zonde.
17 Wie zich laat terechtwijzen, is op weg naar een gelukkig leven, wie zich niet berispen laat, bevindt zich op een dwaalspoor.
18 Wie heimelijk haat is een huichelaar, wie openlijk lastert een dwaas.
19 Een veelprater begaat al snel een misstap, wie zijn tong in toom houdt is verstandig.
20 De uitspraken van een rechtvaardige zijn als zuiver zilver, de gedachten van een goddeloze zijn niets waard.
21 De woorden van een rechtvaardige zijn voedsel voor velen, dwazen sterven door gebrek aan verstand.
22 Alleen de zegen van de HEER maakt rijk, zwoegen voegt daar niets aan toe.
23 Zoals een dwaas vermaak schept in zijn slechte daden, zo geniet een wijze van zijn inzicht.
24 Wat een goddeloze vreest, overkomt hem, een rechtvaardige ontvangt wat hij verlangt.
25 Als de storm is uitgewoed, zijn de goddelozen weggevaagd, wie rechtvaardig zijn, staan voor altijd overeind.
26 Als azijn voor de tanden, als rook voor de ogen, zo is een luiaard voor zijn meester.
27 Wie ontzag heeft voor de HEER leeft vele jaren langer, het leven van een goddeloze wordt bekort.
28 Een rechtvaardige heeft vreugde te verwachten, een goddeloze hoeft op niets te hopen.
29 Voor wie onberispelijk zijn weg gaat, is de HEER een vesting, wie onrecht doet, vernietigt hij.
30 Wie rechtvaardig is, zal nooit wankelen, de goddelozen worden van de aarde weggevaagd.
31 Een rechtvaardige spreekt wijze woorden, de tong van leugenaars wordt uitgerukt.
32 Wie rechtvaardig is, kiest het juiste woord, een goddeloze neemt slechts leugens in de mond.
[11] 1 Een valse weegschaal is de HEER een gruwel, zuivere gewichten zijn hem welgevallig.
2 Hoogmoed leidt tot schande, wijsheid kenmerkt wie bescheiden is.
3 Wie eerlijk leeft, heeft zijn onkreukbaarheid als gids, wie onbetrouwbaar is, gaat aan zijn oneerlijkheid ten onder.
4 Rijkdom helpt je niet op de dag dat God straft, rechtvaardigheid redt van de dood.
5 Wie rechtvaardig leeft, baant zich een rechte weg, een goddeloze legt voor zichzelf een hinderlaag.
6 Wie eerlijk leeft, wordt door zijn rechtvaardigheid gered, wie onbetrouwbaar is, raakt verstrikt in zijn begeerte.
7 Wanneer een goddeloze sterft, gaat al zijn hoop verloren, van zijn rijkdom hoeft hij niets te verwachten.
8 Wie rechtvaardig is, wordt bevrijd van zijn ellende, zijn plaats wordt ingenomen door een goddeloze.
9 Een kwaadaardig iemand richt met zijn woorden anderen te gronde, een rechtvaardige wordt door inzicht gered.
10 Als het rechtvaardigen goed gaat, is heel de stad verheugd, als goddelozen ten onder gaan, klinkt overal gejuich.
11 Door de zegen van oprechte mensen komt een stad tot bloei, de uitspraken van goddelozen zijn haar ondergang.
12 Wie zijn medemens kleineert, heeft geen verstand, iemand met inzicht zwijgt.
13 Bij een roddelaar is een geheim niet veilig, wie betrouwbaar is, hult zich in zwijgen.
14 Door gebrek aan visie gaat het volk ten onder, een keur van raadgevers brengt het tot bloei.
15 Wie borg staat voor een vreemde brengt zichzelf veel schade toe, wie zo’n handslag wantrouwt, weet zich veilig.
16 Een vrouw verwerft haar eer door haar bevalligheid, een man zijn rijkdom door zijn kracht.
17 Wie liefdevol is, bewijst zichzelf een weldaad, wie wreed is, schaadt zichzelf.
18 De winst van een goddeloze is bedrieglijk, het loon van een rechtvaardige is duurzaam.
19 Wie werkelijk rechtvaardig is vindt het leven, wie uit is op het kwaad de dood.
20 De HEER verfoeit bedriegers, wie eerlijk leven, zijn hem welgevallig.
21 Zo zeker als een onrechtvaardige gestraft wordt, zo zeker gaat het nageslacht van een rechtvaardige vrijuit.
22 Schoonheid bij een vrouw zonder verstand is een gouden ring in de snuit van een varken.
23 Wat een rechtvaardige verlangt, brengt niets dan goeds, wat een goddeloze hoopt, veroorzaakt rampspoed.
24 Wie vrijgevig is, wordt almaar rijker, wie gierig is, wordt arm.
25 Een gulle gever zal gedijen, wie te drinken geeft, zal te drinken krijgen.
26 Wie zijn graan vasthoudt, wordt door het volk vervloekt, wie het verkoopt, wordt gezegend.
27 Wie het goede zoekt, zal waardering vinden, wie het kwade zoekt, wordt door het kwaad getroffen.
28 Wie vertrouwt op zijn rijkdom is een blad dat valt, een rechtvaardige komt tot bloei.
29 Wie have en goed verwaarloost, krijgt er wind voor terug, zo’n dwaas wordt de slaaf van een wijze.
30 Een rechtvaardig mens plant een levensboom, wie wijs is, neemt veel mensen voor zich in.
31 Een rechtvaardige krijgt op aarde zijn loon, zondaars en goddelozen niet minder.
[12] 1 Wie van onderricht houdt, houdt van kennis, wie berispingen haat, is dom.
2 Een goed mens geniet de gunst van de HEER, wie kwade plannen heeft, wordt door hem veroordeeld.
3 Goddeloosheid brengt een mens ten val, de rechtvaardigen staan onwrikbaar geworteld.
4 Een sterke vrouw is een krans voor haar man, een vrouw die hem te schande maakt, is als beenrot.
5 Rechtvaardigen denken volgens het recht, goddelozen hebben bedrog in de zin.
6 De woorden van de goddelozen zijn een dodelijke hinderlaag, wat oprechten zeggen, is een bevrijding.
7 De goddelozen worden omvergeworpen en verdwijnen, het huis van de rechtvaardigen houdt stand.
8 Men prijst een mens naar de maat van zijn verstand, een warhoofd wordt geminacht.
9 Beter een onaanzienlijk mens met een knecht dan een bluffer die gebrek aan voedsel heeft.
10 Een rechtvaardige zorgt goed voor zijn vee, een goddeloze is alleen maar wreed.
11 Wie zijn grond bewerkt, heeft altijd genoeg te eten, wie lucht najaagt, heeft geen verstand.
12 Een goddeloze jaagt op zijn eigen ondergang, wat rechtvaardigen doen, werpt vruchten af.
13 Een kwaadaardig mens verstrikt zich in zijn eigen leugens, een rechtvaardige ontsnapt aan ieder gevaar.
14 Wie iets goeds zegt, voedt zich met zijn eigen woorden, van wat hij tot stand brengt, profiteert hij zelf.
15 Een dwaas denkt dat hij de juiste weg gaat, wie wijs is, luistert naar goede raad.
16 Een dwaas toont onmiddellijk zijn woede, wie verstandig is, zwijgt als hij beledigd wordt.
17 Wie de waarheid spreekt, dient het recht, een valse getuige verkondigt slechts leugens.
18 De woorden van een dwaas zijn dolkstoten, wat de wijze zegt, brengt genezing.
19 Een betrouwbaar woord houdt altijd stand, een leugen slechts voor korte tijd.
20 Wie kwaad smeden, zijn een en al bedrog, vreugde wacht wie vrede zoeken.
21 De rechtvaardige wordt niet door onheil getroffen, goddelozen worden bedolven onder ellende.
22 Bedriegers zijn de HEER een gruwel, wie waarachtig handelen, zijn hem welgevallig.
23 Een verstandig mens loopt niet met zijn kennis te koop, dwazen strooien met hun dwaasheid.
24 Een vlijtig mens verwerft gezag, luiheid leidt tot slavernij.
25 Kommer maakt een mens neerslachtig, een hartelijk woord beurt hem op.
26 De rechtvaardige is beter af dan ieder ander, de goddeloze volgt een dwaalspoor.
27 Een luie jager vangt nooit wild, een vlijtig mens verwerft een kostbaar vermogen.
28 De weg van de rechtvaardigheid leidt naar het leven, een geëffend pad is het, vrij van de dood.
[13] 1 Een wijze zoon luistert naar de lessen van zijn vader, een spotter sluit zijn oren voor berispingen.
2 Wie iets goeds zegt, voedt zich met zijn woorden, wie onbetrouwbaar is, hongert naar geweld.
3 Wie zijn mond op slot houdt, waakt over zichzelf, wie zijn lippen hun gang laat gaan, stort zichzelf in het verderf.
4 De verlangens van een luiaard worden niet vervuld, een vlijtig mens wordt rijkelijk gelaafd.
5 Een rechtvaardige verafschuwt leugens, door zijn schandelijke praatjes staat een goddeloze in een kwade reuk.
6 Rechtvaardigheid waakt over wie de juiste weg gaat, goddeloosheid laat de zondaar dwalen.
7 De een doet zich rijk voor terwijl hij niets bezit, de ander doet of hij arm is terwijl hij een vermogen heeft.
8 De rijkdom van een mens is het losgeld voor zijn leven, ben je arm, dan word je niet bedreigd.
9 Het licht van een rechtvaardige brengt vreugde, de lamp van goddelozen wordt gedoofd.
10 Betweters maken ruzie, wie goede raad ter harte neemt, is wijs.
11 In de schoot geworpen rijkdom is weer snel verdwenen, gestage groei maakt rijk.
12 Almaar onvervulde hoop maakt ziek, vervuld verlangen is een levensboom.
13 Wie een gebod veracht, zal daarvoor de prijs betalen, wie het in acht neemt, wordt beloond.
14 De lessen van de wijze zijn een bron van leven, ze laten je ontkomen aan de strikken van de dood.
15 Inzicht maakt een mens geliefd, trouweloosheid brengt hem op een kronkelig pad.
16 Een verstandig mens handelt met overleg, een dwaas spreidt onverstand tentoon.
17 Een onbetrouwbare bode brengt onheil teweeg, een betrouwbare boodschapper redt.
18 Wie zich niet laat terechtwijzen, wachten armoede en schande, wie berispingen aanvaardt, wordt geëerd.
19 Vervuld verlangen is een groot genot, een dwaas gruwt als hij zich niet inlaat met het kwaad.
20 Wie met wijzen omgaat, wordt zelf wijs, wie met dwazen verkeert, is er ellendig aan toe.
21 Zondaars treft ellende, rechtvaardigen wacht een beloning.
22 Een goed mens laat ook een kleinkind een erfdeel na, een zondaar vergaart bezit voor een rechtvaardige.
23 Het pas ontgonnen land schenkt arme mensen overvloed, onrecht rukt het van hen weg.
24 Wie zijn zoon de stok onthoudt, haat hem, wie hem liefheeft, tuchtigt hem.
25 Wanneer een rechtvaardige eet, wordt hij verzadigd, een goddeloze houdt een hongerige maag.
[14] 1 Vrouwe Wijsheid bouwt haar huis, Dwaasheid breekt het hare eigenhandig af.
2 Wie de juiste weg volgt, toont ontzag voor de HEER, wie verkeerde wegen gaat, minacht hem.
3 De woorden van een dwaas zijn een stok voor zijn hoogmoed, wat een wijze zegt, biedt veiligheid.
4 Als er geen runderen zijn, kan de voederbak leeg blijven, de kracht van ossen biedt een rijke oogst.
5 Een betrouwbare getuige spreekt de waarheid, een valse getuige strooit alleen maar leugens rond.
6 Een spotter zoekt naar wijsheid – tevergeefs, wie verstandig is, vindt zonder moeite kennis.
7 Blijf uit de buurt van een dwaas, er komt geen verstandig woord over zijn lippen.
8 Door zijn wijsheid weet de wijze welke weg hij moet gaan, dwazen bedriegen zichzelf met hun dwaasheid.
9 Wat dwazen verenigt, is hun wangedrag, oprechten waarderen elkaar.
10 Alleen je eigen hart kent je diepste verdriet, in je vreugde kan een ander niet delen.
11 Het huis van goddelozen wordt verwoest, voorspoed is er voor de woning van oprechten.
12 Een mens denkt de juiste weg te gaan, terwijl die eindigt bij de dood.
13 Zelfs al lacht het hart, het lijdt pijn, vreugde eindigt altijd in verdriet.
14 Wie afdwaalt krijgt zijn verdiende loon, een goed mens wacht een betere beloning.
15 Wie onnozel is, hecht aan ieder woord geloof, wie verstandig is, let op elke stap.
16 Een wijze is voorzichtig, hij gaat het kwaad uit de weg, een dwaas is roekeloos, en waant zich nog veilig ook.
17 Wie onbesuisd is, handelt dwaas, wie berekenend is, maakt zich gehaat.
18 Dwaasheid wacht wie onbezonnen leeft, een verstandig iemand wordt gekroond met kennis.
19 Slechte mensen moeten buigen voor goede, goddelozen kloppen op de poorten van rechtvaardigen.
20 Een arm mens wordt zelfs door zijn vriend gehaat, wie rijk is heeft veel vrienden.
21 Wie zijn medemens veracht, is een zondaar, gelukkig hij die zich bekommert om de armen.
22 Wie kwaad smeden, komen zij niet op een dwaalweg? Wie goed doen, oogsten zij geen liefde en trouw?
23 Elke inspanning levert iets op, loze praatjes leiden enkel tot gebrek.
24 Wijzen worden met rijkdom gekroond, dwaasheid is de tooi van dwazen.
25 Een betrouwbare getuige redt levens, een valse getuige liegt en bedriegt.
26 Ontzag voor de HEER geeft een krachtig vertrouwen, het biedt je kinderen een schuilplaats.
27 Ontzag voor de HEER is de bron van het leven, het hoedt je voor de strikken van de dood.
28 De luister van een koning is een talrijk volk, bij gebrek aan onderdanen gaat een machthebber ten onder.
29 Wie geduldig is geeft blijk van groot inzicht, wie onbesuisd is stapelt dwaasheid op dwaasheid.
30 Een tevreden geest geeft een goede gezondheid, jaloezie knaagt aan je botten.
31 Wie een verschoppeling onderdrukt, beledigt zijn schepper, wie zich over een arme ontfermt, eert hem.
32 Een goddeloze gaat door zijn slechtheid ten onder, een rechtvaardige vindt als hij sterft een schuilplaats.
33 In de geest van een verstandig mens is wijsheid, zelfs onder dwazen wordt zij herkend.
34 Rechtvaardigheid verheft een volk, zonde maakt het te schande.
35 Een verstandige dienaar geniet de gunst van de koning, diens woede treft de dienaar die zijn taak verwaarloost.
[15] 1 Een vriendelijk antwoord doet woede bedaren, krenkende woorden wakkeren toorn aan.
2 Uit de woorden van de wijzen spreekt een overvloed aan kennis, uit de mond van dwazen komt alleen maar dwaasheid.
3 De ogen van de HEER zijn overal, zowel de goeden als de kwaden houdt hij in het oog.
4 Kalme woorden zijn een levensboom, een valse tong vernietigt de geest.
5 Een dwaas veracht de lessen van zijn vader, wie berispingen ter harte neemt, is verstandig.
6 Het huis van een rechtvaardige bergt talloze schatten, in wat een goddeloze voortbrengt, schuilt ellende.
7 De woorden van de wijzen zaaien kennis, zo niet de geest van de dwazen.
8 Het offer van de goddelozen is de HEER een gruwel, het gebed van de oprechten is hem welgevallig.
9 De weg van de goddelozen is de HEER een gruwel, wie rechtvaardigheid nastreeft, heeft hij lief.
10 Wie het rechte pad verlaat, wordt zwaar gestraft, wie berispingen verafschuwt, sterft.
11 De HEER doorgrondt de afgrond van het dodenrijk, hoeveel te meer het hart van de mensen.
12 Een spotter wordt niet graag terechtgewezen, nooit wendt hij zich tot de wijzen.
13 Een vrolijk hart brengt een lach op het gezicht, een verdrietig hart pijnigt de geest.
14 De geest van een verstandig mens zoekt kennis, dwazen zwelgen in dwaasheid.
15 Voor wie arm is, is het leven niets dan ellende, maar blijmoedigheid maakt het leven tot een feest.
16 Beter een schamel bezit en ontzag voor de HEER dan grote rijkdom en veel onrust.
17 Beter een karige schotel groenten en liefde dan een vetgemeste os en haat.
18 Een driftkop wakkert ruzie aan, wie kalm is sust een twistgesprek.
19 Het pad van een luiaard is vol dorens, de weg van de oprechten is geëffend.
20 Een wijze zoon geeft zijn vader veel vreugde, een dwaas veracht zijn moeder.
21 Voor wie geen verstand heeft, is dwaasheid een vreugde, een mens met inzicht kiest de juiste weg.
22 Bij gebrek aan overleg mislukken plannen, ze slagen door ampel beraad.
23 Een mens vindt vreugde in een goedgekozen antwoord, de juiste woorden op de juiste tijd – hoe voortreffelijk is dat.
24 De levensweg van een verstandig mens voert omhoog, hij blijft op verre afstand van de diepte van het dodenrijk.
25 De HEER verwoest het huis van de hoogmoedigen, het bezit van weduwen beschermt hij.
26 Kwade gedachten zijn de HEER een gruwel, vredige woorden zijn zuiver.
27 Wie woekerwinst najaagt, richt zijn huis te gronde, wie steekpenningen haat, zal leven.
28 Een rechtvaardige denkt na voordat hij antwoordt, uit de mond van goddelozen komt alleen maar onheil.
29 De HEER is ver verwijderd van de goddelozen, het gebed van de rechtvaardigen hoort hij.
30 Een lachend gezicht verblijdt het hart, een goed bericht verkwikt het lichaam.
31 Wie luistert naar de lessen van het leven schaart zich onder de wijzen.
32 Wie zich niet laat terechtwijzen, doet zichzelf tekort, wie berispingen ter harte neemt, wint daarbij.
33 Wie ontzag heeft voor de HEER wint aan wijsheid, bescheidenheid gaat aan eerbetoon vooraf.
[16] 1 Een mens stelt zich veel vragen, de HEER geeft het antwoord.
2 Een mens kiest in zijn eigen ogen altijd de juiste weg, de HEER toetst wat hem innerlijk beweegt.
3 Vertrouw bij je werk op de HEER, en je plannen zullen slagen.
4 De HEER heeft alles wat hij heeft gemaakt zijn doel gegeven, de goddelozen heeft hij voor de ondergang bestemd.
5 De HEER verafschuwt hooghartige mensen, ze worden hoe dan ook gestraft.
6 Zonden worden toegedekt door liefde en trouw, wie ontzag heeft voor de HEER mijdt het kwaad.
7 Als de weg die iemand gaat de HEER behaagt, doet hij zelfs zijn vijand vrede met hem sluiten.
8 Beter een schamel bezit, rechtvaardig verworven, dan een grote rijkdom, verkregen door onrecht.
9 Een mens stippelt zijn weg uit, de HEER bepaalt de richting die hij gaat.
10 De koning spreekt Gods oordeel uit, wanneer hij rechtspreekt, faalt hij niet.
11 De HEER bepaalt de maatstaf van het recht, hij stelt de gewichten en balans vast.
12 Koningen verfoeien goddeloosheid, rechtvaardigheid schraagt hun troon.
13 Een koning schept behagen in oprechte woorden, wie de waarheid spreekt, is hem dierbaar.
14 De woede van de koning is een bode van de dood, een wijze brengt hem tot bedaren.
15 Het stralende gezicht van de koning brengt leven, als een voorjaarsregen is zijn gunstbewijs.
16 Hoeveel beter is het wijsheid te verwerven dan goud, hoezeer is inzicht te verkiezen boven zilver.
17 Wie oprecht is, mijdt de weg van het kwaad, wie zijn weg in het oog houdt, beschermt zijn leven.
18 Hooghartigheid gaat vooraf aan ellende, hoogmoed komt voor de val.
19 Beter in eenvoud leven met de armen dan de buit verdelen met hoogmoedigen.
20 Wie goed luistert, zal het goed vergaan, wie op de HEER vertrouwt, is gelukkig.
21 Wie wijs is van hart, wordt verstandig genoemd, wie op milde toon spreekt, heeft meer overtuigingskracht.
22 Inzicht is een bron van leven, dwazen worden met dwaasheid gestraft.
23 Wie een wijs hart heeft, spreekt verstandige woorden, en geeft kracht aan het betoog van zijn lippen.
24 Een vriendelijke uitspraak is een korf vol honing, zoet voor de ziel en gezond voor het lichaam.
25 Een mens denkt de juiste weg te gaan, terwijl hij eindigt bij de dood.
26 Een mens zwoegt omdat hij moet eten, het is de honger die hem dwingt.
27 Een nietsnut roept het kwaad op, wat hij zegt is een verzengend vuur.
28 Een vals karakter zaait voortdurend tweedracht, een lasteraar drijft vrienden uit elkaar.
29 Een boosdoener bedriegt zelfs zijn vriend, hij lokt hem op het slechte pad.
30 Wie heimelijk zijn oog dichtknijpt, heeft kwaad in de zin, wie zijn lippen samenperst, heeft het kwaad al gedaan.
31 De ouderdom is een prachtige kroon, je vindt hem op de weg van de rechtvaardigheid.
32 Beter een geduldig mens dan een vechtjas, beter zelfbeheersing dan een stad veroveren.
33 Men werpt het lot in een mantel, de HEER bepaalt hoe het valt.
[17] 1 Beter een stuk droog brood en vrede dan een huis vol met voedsel en ruzie.
2 Een verstandige slaaf verdrijft een onwaardige zoon, hij deelt samen met de broers in de erfenis.
3 De smeltkroes toetst het zilver, de oven toetst het goud, de HEER toetst het hart.
4 Een boosdoener is gespitst op kwaadaardige woorden, een bedrieger luistert graag naar verderfelijke taal.
5 Wie een verschoppeling bespot, beledigt zijn schepper, wie zich over iemands ongeluk verheugt, blijft niet ongestraft.
6 Kleinkinderen zijn voor grootouders de kroon op hun leven, kinderen zijn trots op hun voorouders.
7 Verheven woorden passen niet bij een dwaas, leugens des te minder bij een edel mens.
8 Wie steekpenningen uitdeelt, denkt edelstenen uit te delen, zo hoopt hij overal succes te hebben.
9 Wie vriendschap zoekt, dekt fouten toe, wie ze telkens oprakelt, verliest zijn vrienden.
10 Een verstandig mens wordt meer geraakt door een verwijt dan een dwaas door honderd slagen.
11 Een kwaadaardig mens is alleen op ruzie uit, er wordt een onheilsbode op hem afgestuurd.
12 Beter dat je een berin ontmoet die beroofd is van haar jongen dan een dwaas met al zijn dwaasheid.
13 Als je telkens goed met kwaad vergeldt, verdwijnt het kwaad nooit uit je huis.
14 Wie een ruzie begint, ontketent een stortvloed; staak de strijd voordat hij losbarst.
15 Wie een goddeloze vrijspreekt en wie een rechtvaardige beschuldigt, beiden zijn de HEER een gruwel.
16 Welk nut heeft geld in de hand van een dwaas? Dom als hij is, kan hij toch geen wijsheid kopen.
17 Een vriend is je altijd toegedaan, je broer is geboren om te helpen in tijden van nood.
18 Wie al te makkelijk een handslag geeft, wie zomaar borg staat voor een ander, ontbreekt het aan verstand.
19 Wie van ruzie houdt, doet een ander graag geweld aan, wie een grote mond opzet, zoekt zijn eigen ondergang.
20 Wie onbetrouwbaar is, vindt geen geluk, wie een valse tong heeft, stort zichzelf in het verderf.
21 Wie een dwaas verwekt, zal verdriet ervaren, er is geen vreugde voor de vader van een dwaas.
22 Een vrolijk hart bevordert een goede gezondheid, een sombere geest verzwakt het lichaam.
23 Een goddeloze haalt een buidel geld te voorschijn, hij koopt om en kromt de paden van het recht.
24 Een verstandig mens heeft wijsheid op het oog, een dwaas staart weg in wazige verten.
25 Een dwaze zoon is een groot verdriet voor zijn vader, bitterheid voor haar die hem heeft gebaard.
26 Het is verwerpelijk om een onschuldige een boete op te leggen, een edel mens zweepslagen geven is in strijd met het recht.
27 Een verstandig mens is karig met zijn woorden, iemand met inzicht is bezonnen.
28 Een zwijgende dwaas wordt beschouwd als verstandig, men denkt dat hij wijs is als hij zijn mond houdt.
[18] 1 Een zelfzuchtig iemand volgt alleen zijn eigen wil, hij gaat de strijd met alle wijsheid aan.
2 Een dwaas is niet geïnteresseerd in inzicht, hij wil alleen zijn eigen mening kwijt.
3 Waar goddeloosheid is, is verachting, een schanddaad gaat gepaard met smaad.
4 De woorden van een goed mens zijn als diepe wateren, ze zijn een sprankelende beek, een bron van wijsheid.
5 Het is niet goed een goddeloze te bevoorrechten en het recht van een rechtvaardige te schenden.
6 De woorden van een dwaas zaaien tweedracht, wat hij zegt leidt tot een vechtpartij.
7 Met zijn woorden stort een dwaas zichzelf in het verderf, hij zet een valstrik voor zichzelf met wat hij zegt.
8 De woorden van een lasteraar neemt men gulzig in zich op, als een lekkernij die de buik verzadigt.
9 Wie lui is in zijn werk, werkt aan zijn eigen ondergang.
10 De naam van de HEER is een sterke toren, de rechtvaardige snelt erheen, en is veilig.
11 Een rijkaard denkt dat zijn bezit een vesting is, achter een muur waant hij zich veilig.
12 Wie zichzelf in de hoogte steekt, komt ten val, bescheidenheid gaat aan eerbetoon vooraf.
13 Wie antwoordt zonder eerst te luisteren, handelt dwaas en maakt zichzelf belachelijk.
14 Door geestkracht overwint een mens zijn ziekte, maar wie geneest een zieke geest?
15 Een verstandig mens verwerft kennis, een wijze is gespitst op inzicht.
16 Wie geschenken uitdeelt, opent deuren voor zichzelf, hij verschaft zich toegang tot de machtigen.
17 Wie als eerste pleit, lijkt zijn recht te krijgen, maar dan komt zijn tegenstander, en die vecht het aan.
18 Het lot kan een geschil beslechten, het bemiddelt zelfs tussen de grootste heethoofden.
19 Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een vesting, ruzie is als een vergrendelde toren.
20 Als een mens iets goeds zegt, heeft hij een gevoel van welbehagen, hij voedt zich met de vruchten van zijn mond.
21 Woorden hebben macht over leven en dood, wie zijn tong koestert, plukt daarvan de vruchten.
22 Wie een vrouw gevonden heeft, heeft iets goeds gevonden, hij ontvangt de gunst van de HEER.
23 Een verschoppeling bidt en smeekt, de rijkaard antwoordt hem hooghartig.
24 Wie veel vrienden heeft, raakt snel geruïneerd, een echte vriend is meer waard dan een broer.
[19] 1 Beter een arme die onberispelijk leeft dan een slinkse leugenaar – die is dwaas.
2 IJver zonder kennis leidt tot niets, wie overijld te werk gaat, maakt al snel een blunder.
3 Dwaasheid brengt een mens op de verkeerde weg, dan keert hij zich verbitterd tegen de HEER.
4 Rijkdom maakt veel vrienden, een arme komt alleen te staan.
5 Een valse getuige blijft niet ongestraft, wie leugens verkondigt, gaat niet vrijuit.
6 Velen dingen naar de gunst van een voornaam persoon, ieder is de vriend van een vrijgevig mens.
7 Een arme wordt door al zijn broers gehaat, meer nog door zijn vrienden, ze gaan hem uit de weg; als hij een beroep op ze doet, is dat tevergeefs.
8 Wie zijn verstand gebruikt, heeft zijn leven lief, wie zich laat leiden door inzicht, is geluk op het spoor.
9 Een valse getuige blijft niet ongestraft, wie leugens verkondigt, gaat te gronde.
10 Weelde past niet bij een dwaas, nog minder past het dat een slaaf heerst over vorsten.
11 Een verstandig mens houdt zijn woede in toom, het siert hem als hij fouten door de vingers ziet.
12 Als het brullen van een leeuw, zo is de woede van een koning, als dauw op het gras, zo is zijn goedgunstigheid.
13 Een dwaze zoon is voor zijn vader een ramp, het geruzie van een vrouw is als een dak dat altijd lekt.
14 Je huis en rijkdom erf je van je voorouders, maar een vrouw met inzicht krijg je van de HEER.
15 Als je lui bent, verslaap je je tijd, als je laks bent, zul je honger lijden.
16 Wie de geboden naleeft, behoudt zijn leven, wie de weg van de HEER veracht, zal sterven.
17 Wie barmhartig is voor een arme leent aan de HEER, die zal hem zijn weldaad vergoeden.
18 Tuchtig je zoon, dan is er hoop, zorg ervoor dat hij niet sterft.
19 Wie doldriftig is, zal moeten boeten, als je hem zijn woede toestaat, neemt die enkel toe.
20 Luister naar raad, laat je onderwijzen, uiteindelijk maakt het je wijs.
21 Een mens maakt allerlei plannen, wat wordt uitgevoerd, is het plan van de HEER.
22 Een mens heeft het verlangen goed te doen, je kunt beter arm dan onbetrouwbaar zijn.
23 Ontzag voor de HEER beschermt je leven, je kunt rustig gaan slapen, er overkomt je niets.
24 Een luiaard laat zijn hand in de schaal rusten, hij brengt hem zelfs niet naar zijn mond.
25 Sla je een spotter, dan wordt die onervarene verstandig, kastijd je een verstandig mens, dan groeien zijn kennis en inzicht.
26 Wie zijn vader mishandelt en zijn moeder wegjaagt, is een slechte zoon die zich misdraagt.
27 Mijn zoon, luister maar niet langer naar mijn onderricht als je mijn wijze woorden in de wind wilt slaan.
28 Een onbetrouwbare getuige spot met het recht, een goddeloze zwelgt in onrecht.
29 Voor spotters staat de straf al vast, voor de rug van dwazen ligt de stok al klaar.
[20] 1 Van wijn word je een spotter, van drank een braller, wie zich bedrinkt, verliest zijn verstand.
2 Als het brullen van een leeuw, zo zijn de dreigementen van een koning, wie ze in de wind slaat, brengt zijn leven in gevaar.
3 Het strekt een mens tot eer om ruzie te vermijden, een dwaas stort zich in een woordenstrijd.
4 Een luiaard ploegt niet in de herfst, en vraagt zich in de zomer af waarom hij niet kan oogsten.
5 Wat omgaat in een mensenhart is als diep verborgen water, iemand met inzicht brengt het naar boven.
6 Velen roemen hun eigen trouw, maar wie vindt een mens die werkelijk betrouwbaar is?
7 Wie rechtvaardig is bewandelt de juiste weg, zijn kinderen zullen gelukkig zijn.
8 Als het recht de troon van een koning schraagt, verjaagt hij met zijn blik elke boosdoener.
9 Wie zou kunnen zeggen: ‘Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben vrij van zonden’?
10 Twee gewichten om te wegen, twee maten om te meten, beide zijn de HEER een gruwel.
11 Reeds een kind laat zich kennen door zijn daden, door wat het doet, zie je of het eerlijk en oprecht is.
12 Een oor dat hoort, een oog dat ziet, de HEER heeft beide gemaakt.
13 Slaap niet al te graag, dan word je niet arm, sta vroeg op, dan heb je genoeg te eten.
14 ‘Niets waard! Niets waard!’ zegt de koper, maar als hij weggaat, wrijft hij zich in de handen.
15 Goud en edelstenen zijn er genoeg, maar wijze woorden zijn een zeldzaamheid.
16 Stond iemand borg voor een lichtzinnig mens, neem dan gerust zijn mantel, en verpand die maar aan een ander die lichtzinnig is.
17 Gestolen voedsel smaakt aanvankelijk goed, maar later lijkt je mond gevuld met kiezels.
18 Een plan komt tot stand door overleg, bereid een oorlog dus goed voor.
19 Bij een roddelaar is een geheim niet veilig, laat je niet in met een loslippig mens.
20 Als je je vader en moeder vervloekt, wordt je levenslicht gedoofd in de diepste duisternis.
21 Rijkdom die in korte tijd verworven is, brengt geen zegen voor later.
22 Zeg niet: ‘Ik zal dat kwaad vergelden,’ wacht op de HEER, hij zal je helpen.
23 Twee gewichten om te wegen, het is de HEER een gruwel, een valse weegschaal is een slechte zaak.
24 De weg van een mens wordt bepaald door de HEER, wie weet zelf welke richting hij gaat?
25 Wie God ondoordacht een belofte doet en zich pas later afvraagt of hij haar kan houden, zet een valstrik voor zichzelf.
26 Een wijze koning zift de goddelozen uit, hij laat het rad over hen heen gaan.
27 Het licht van de HEER beschijnt de geest van de mens, het dringt door tot in zijn diepste gedachten.
28 Liefde en trouw beschermen de koning, liefde schraagt zijn troon.
29 De pracht van jonge mensen is hun kracht, de sier van oude mensen is hun grijze haar.
30 Bloedige striemen doen het kwaad verdwijnen, slagen zuiveren het innerlijk.
[21] 1 De gedachten van de koning zijn als waterstromen in de macht van de HEER, hij leidt ze waarheen hij maar wil.
2 Een mens kiest in zijn eigen ogen altijd de rechte weg, de HEER toetst wat hem innerlijk beweegt.
3 De HEER heeft liever dat je eerlijk en rechtvaardig handelt dan dat je een offer brengt.
4 Een hooghartige blik, een aanmatigend hart, wat een goddeloze uitstraalt is zondig.
5 De plannen van een vlijtig mens strekken hem tot voordeel, wie overijld te werk gaat, zal gebrek lijden.
6 Rijkdom verworven door bedrog is als een vluchtige adem op zoek naar de dood.
7 Het geweld van goddelozen sleurt hen naar de ondergang, ze weigeren het recht in acht te nemen.
8 Een vreemdeling volgt slinkse wegen, een eerlijk mens handelt oprecht.
9 Je kunt beter in een hoekje op het dak wonen dan in één huis met een vrouw die ruzie zoekt.
10 Een goddeloze is uit op het kwaad, hij toont geen medelijden met zijn medemens.
11 Als je een spotter terechtwijst, trekt die onervarene daar lering uit, als je een wijze berispt, vermeerdert zijn wijsheid.
12 De rechtvaardige God slaat de goddelozen gade, hij stort ze in het verderf.
13 Wie zijn oren sluit voor het gejammer van de arme zal ooit zelf om hulp schreeuwen, en geen antwoord krijgen.
14 Een heimelijke gift doet woede bedaren, onderhands gegeven geld temt razernij.
15 De rechtvaardige geniet ervan het recht in acht te nemen, wie onrecht doet, wacht ellende.
16 Wie afdwaalt van de weg van het verstand zal belanden in het rijk van de schimmen.
17 Wie te vaak feestviert, zal gebrek lijden, wie te veel van eten en drinken houdt, wordt nooit rijk.
18 Goddelozen zijn het losgeld voor rechtvaardigen, oprechten worden vrijgekocht, trouwelozen niet.
19 Je kunt beter in de woestijn wonen dan samenleven met een humeurige vrouw die ruzie zoekt.
20 Een wijze heeft een kostbare schat aan olie in huis, een dwaas verkwanselt hem.
21 Wie rechtvaardigheid en trouw nastreeft, ontvangt leven, rechtvaardigheid en eer.
22 Een wijze overwint een stad vol keurtroepen, hij verlamt de kracht waarop ze vertrouwen.
23 Wie zijn tong in toom houdt, bespaart zich in zijn leven allerlei ellende.
24 Een spotter is verwaand en onbeschoft, hij is grenzeloos hooghartig.
25 De verlangens van een luiaard leiden tot zijn dood, hij weigert zijn handen te gebruiken.
26 Velen willen almaar meer bezit, maar de rechtvaardige geeft, hij houdt niets voor zichzelf.
27 Het offer van de goddelozen is een gruwel, vooral als de bedoeling slecht is.
28 Een onbetrouwbare getuige moet de mond worden gesnoerd, maar wie vertelt wat hij weet, mag uitspreken.
29 Een goddeloze zet een trots gezicht, de oprechte gaat de weg die hij moet gaan.
30 Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand tegen de HEER.
31 Het paard wordt gereedgemaakt voor de strijd, de overwinning hangt af van de HEER.
[22] 1 Een goede naam is te verkiezen boven grote rijkdom, waardering boven zilver en goud.
2 Een arme en een rijke hebben dit gemeen: de HEER heeft hen beiden gemaakt.
3 Wie verstandig is, ziet het gevaar en hoedt zich ervoor, wie onverstandig is, gaat eraan voorbij en wordt gestraft.
4 Wie bescheiden is en ontzag heeft voor de HEER, wordt beloond met rijkdom, eer en een lang leven.
5 Wie de verkeerde weg gaat, treft dorens en valstrikken aan, wie zijn leven liefheeft, blijft er verre van.
6 Leer een kind van jongs af aan de juiste weg, en het zal er niet van afwijken wanneer het oud geworden is.
7 Een rijke heeft macht over armen, wie leent, is de slaaf van wie uitleent.
8 Wie onheil zaait, zal onheil oogsten, de stok waarmee hij slaat, zal hem te gronde richten.
9 Een goedhartig mens wordt gezegend, hij deelt zijn voedsel met de armen.
10 Jaag een spotter weg, en de ruzie is voorbij, twistgesprekken en beledigingen houden op.
11 Wie een zuiver hart heeft en beminnelijk spreekt, heeft de koning als vriend.
12 De HEER behoedt de waarheid, hij logenstraft de woorden van bedriegers.
13 Een luiaard zegt: ‘Buiten loopt een leeuw, die zal me verscheuren.’
14 De mond van een lichtzinnige vrouw is als een diepe put, wie door de HEER is vervloekt, valt daarin.
15 Een kind is geneigd tot dwaasheid, de stok wijst het terecht en weerhoudt het ervan.
16 Wie een arme onderdrukt, maakt hem enkel rijk, wie een rijke geld geeft, zorgt ervoor dat hij gebrek lijdt.
|
|
|
 |


 |
|
Peter Dekker (1957)
uit Soest
Hoofd IKON Nieuwe Media & Initiatiefnemer voorleesmarathon
|
|
Het was niet alleen leuk om de voorleesmarathon te bedenken, maar vooral om het plan uit te voeren met ruim 20 medewerkers van alle Nederland 1-omroepen en het Nederlands Bijbelgenootschap. Nergens ter wereld bestaat een voorleesbijbel op internet. Ik hoop dat dit project internationaal navolging krijgt. De afdeling Nieuwe Media van de IKON wil daarbij graag de helpende hand bieden.
|
|
|
|